Bron: Reflections/Meloney

De reeks 'Klassiekers', te vinden op internet sinds 2000, is het geesteskind van Joop Leibbrand, oud-Meandercollega. Na zijn dood in 2015 is de redactie van de reeks overgenomen door Eric van Loo. De afleveringen van de reeks (besprekingen van een Nederlands of Vlaams gedicht) worden per e-mail verzonden aan ruim 3000 abonnees. Hier en daar vinden ze ook hun weg naar scholen.

In de beginjaren heb ik zeven afleveringen verzorgd. Plezierig, maar arbeidsintensief werk. Na het kiezen van een gedicht en het bij elkaar zoeken van achtergrondinformatie begint bij mij meestal een periode van ermee rondlopen, zonder dat er al iets op papier staat. Het moment waarop zich een uitgangspunt voor de bespreking aandient, is het begin van het eigenlijke schrijven. Het aardige is dat het dan nog veel kanten uit kan (het lijkt daarin wel wat op het schrijven van een gedicht). Welk gedicht ik koos voor een bespreking werd uiteraard in eerste en laatste instantie bepaald door de kwaliteit van het gedicht zelf, maar vaak was er ook wel een wat meer persoonlijke aanleiding. J.A. Leopold's gedicht Oinou Hena Stalagmon liet me op de middelbare school in één klap de poëzie intuimelen. Dat gedicht was helaas te lang voor de reeks, maar het vinden van een waardige vervanger was niet moeilijk. Marijke Hanegraaf leerde ik in 2006 kennen bij de uitreiking van de poëziepijs van de stad Oostende, waar zij de tweede prijs kreeg en ik een eervolle vermelding. Paul Marijnis en Anton Korteweg waren studiegenoten van me (Leiden jaren zestig). Dèr MouwAndreus en Gerlach zijn levenslange favorieten. Het meeste plezier heb ik beleefd aan het bespreken van Kortewegs Wij samen, omdat dat me in een mij relatief onbekende wereld bracht. Die bespreking uit 2004 daarom in zijn geheel hieronder.

---

Wij samen
(psalm 139)

Onder en boven, je bent om me heen, ik in je, je
weet van mij alles. Dat je me omringt, vooruit, me
doordringt, alles weet uit hoofde van jij, nou ja, maar
dat je daar ook nog op uit bent! Geen
plaats van je is er die, wil hij, niet ziet mij, die
niet in zich heeft mij. Ver weg of dichtbij, in
de kraag pak je me; geen kant kan ik op, in
Den Haag niet en nergens - licht is er niets bij.
Niet raak ik me ergens in kwijt en niet
in de tijd; wat ik ook maar van plan ben, waar
en wanneer, je wist allang dat ik toen dat en dat - dat
ik knap in elkaar, heb je wel voor gezorgd.

Gebonden zijn, gekend, in iemand - erg is het, maar
niet is nog erger misschien. En hoe dan ook, altijd, ik
denk aan je, op de gekste momenten en nooit
niet eens niet. Het moet wel dat ik van je hou, de
pest heb aan wie dat aan jou. Ken me dan maar, weet
wie ik ben en doe maar.


Anton Korteweg (1944)

Uit: Met flinke pas (2003)
Uitgever: Meulenhoff, Amsterdam

 

Het zal ongeveer 1970 zijn geweest toen ik een katholiek opgevoede vriendin die niet meer actief was in de kerk vroeg wat er van dit aspect van haar jeugd was overgebleven. 'Het gevoel dat ik nooit alleen ben', antwoordde ze.
Ik herinnerde me dit weer toen ik Anton Kortewegs bewerking van psalm 139 las. De psalm en het gedicht behandelen precies dat: nooit alleen zijn. Een besef dat meer dan één kant heeft.
Het gedicht werd onder de titel 'Goed, wij samen, toch' in een enigszins, maar niet wezenlijk andere versie eerder gepubliceerd in Nieuwe psalmen, een speciale uitgave van het literaire tijdschrift Parmentier. In deze uitgave (SUN, Nijmegen, 1995) gaven veertig dichters een versie van een van de psalmen of schreven een nieuwe. Daarna werd het opgenomen in In handen (Meulenhoff, Amsterdam, 1997)

Anton Korteweg, geboren in 1944 in een protestants-christelijk gezin, zal mogelijk de tekst van de vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap of de oudere, daar niet veel van afwijkende Statenvertaling als grondslag hebben genomen:

Psalm 139

  1 Voor den koorleider. Van David. Een psalm. Here, Gij doorgrondt en kent
     mij;
  2 Gij kent mijn zitten en mijn opstaan, Gij verstaat van verre mijn gedachten;
  3 Gij onderzoekt mijn gaan en mijn liggen, met al mijn wegen zijt Gij
     vertrouwd.
  4 Want er is geen woord op mijn tong, of, zie, Here, Gij kent het volkomen;
  5 Gij omgeeft mij van achteren en van voren en Gij legt uw hand op mij.
  6 Het begrijpen is mij te wonderbaar, te verheven, ik kan er niet bij.
  7 Waarheen zou ik gaan voor uw Geest, waarheen vlieden voor uw aangezicht?
  8 Steeg ik ten hemel - Gij zijt daar. Of maakte ik het dodenrijk tot mijn sponde
     - Gij zijt er;
  9 nam ik vleugelen van den dageraad, ging ik wonen aan het uiterste der zee,
10 ook daar zou uw hand mij geleiden, uw rechterhand mij vastgrijpen.
11 Zeide ik: Duisternis moge mij overvallen, dan is de nacht een licht om mij
     heen;
12 zelfs de duisternis verbergt niet voor U, maar de nacht licht als de dag, de
     duisternis is als het licht.

13 Want Gij hebt mijn nieren gevormd, mij in den schoot van mijn moeder
     geweven.
14 Ik loof U, omdat ik gans wonderbaar ben toebereid, wonderbaar zijn uw
     werken; mijn ziel weet dat zeer wel.
15 Mijn gebeente was voor U niet verholen, toen ik in het verborgene gemaakt
     werd, gewrocht in de diepten van het aardrijk;
16 uw ogen zagen mijn vormeloos begin; in uw boek waren zij alle
     opgeschreven, de dagen, die geformeerd zouden worden, toen nog
     geen daarvan bestond.
17 Hoe kostelijk zijn mij uw gedachten, o God, hoe overweldigend is haar getal.
18 Wilde ik ze tellen, zij zijn talrijker dan het zand; als ik ontwaak, dan ben ik
     nog bij U.

19 O God, dat Gij toch de goddelozen ombracht - gij, mannen des bloeds, wijkt
     van mij -
20 die arglistig tegen U spreken en uw naam tot leugen gebruiken, uw
     tegenstanders.
21 Zou ik niet haten, Here, wie U haten, niet verafschuwen wie tegen U
     opstaan?
22 Ik haat hen met een volkomen haat, tot vijanden zijn zij mij.
23 Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart, toets mij en ken mijn gedachten;
24 zie, of bij mij een heilloze weg is, en leid mij op den eeuwigen weg.



In de bijbelvertaling vallen de verzen 19 t/m 22 nogal uit de toon: van een bespiegeling over de almacht, het alwetende van God en de manier waarop de 'ik' dat ervaart naar een plotselinge verwensing van Gods vijanden. Ds. Carel ter Linden sloeg deze verzen, die in de nieuwe bijbelvertaling niet minder fel zijn ('God, breng de zondaars om') wijselijk over in zijn schriftlezing tijdens de uitvaartdienst voor Prins Bernhard.
Harrie Beex zegt over psalm 139 en soortgelijk opgebouwde psalmen: 'Vreemd is vooral, dat na heel vertrouwvolle en innige psalmen toch opeens een felle aanval komt tegen de zondaars. (…) Een zo goed als onoplosbare vraag is: of de dichter zelf die verwijten heeft toegevoegd aan zijn dichtwerk, of dat het later gebeurd is.' (Psalmen in hun originele dichtvorm, Damon, Budel, 2002.)
Dr. J.M. Brinkman schrijft in Psalmen, een praktische bijbelverklaring (Kok, Kampen, 2001) dat vele uitleggers aannemen dat de dichter van psalm 139, door valse aanklagers beschuldigd, voor een godsoordeel een nacht moet doorbrengen in een tempel. Als hij er, onschuldig gebleken, weer uit komt, roept hij om een oordeel over de mensen die hem ten onrechte hebben beschuldigd. Andere, meer recente uitleggers veronderstellen een andere dichter, zoals ook Beex vragenderwijs doet. Sommige nemen aan dat het deel vanaf vers 19 in feite het begin vormt van psalm 140. Degenen die de psalm wel als een eenheid zien, maar niet de theorie van de nacht in de tempel aanhangen, nemen aan dat het bestaan van kwaadwilligen de psalmdichter ertoe aanzet volledig voor God te kiezen nadat hij in de eerdere verzen heen en weer wordt geslingerd tussen positieve en negatieve gevoelens. Pas aan het eind van de psalm beseft hij dat de voorspoed van de kwaadwilligen samenhangt met zijn twijfels. Dit zou de felle uitval verklaren.
Brinkman noemt nog een treffend verschil tussen de verschillende interpretaties. De geleerden die uitgaan van de nacht in de tempel zien de hand van God in vers 5 als een troostende. Andere, die de psalm zien als een persoonlijke overdenking, wijzen erop dat het werkwoord dat in de NBG-vertaling wordt vertaald als 'omgeven' - 'omsluiten' in de bijbelvertaling van 2004 - in het Hebreeuws een negatieve lading heeft. De hand in vers 5 is in het Hebreeuws een 'holle', grijpende hand, anders dan de geleidende hand in vers 10.

Korteweg heeft van de psalm een eenheid gemaakt door hier en daar elementen uit de oorspronkelijke tekst weg te laten en er andere aan toe te voegen. Waar in de psalm naast het besef overal door God te worden gezien ook het voor de mens onbegrijpelijke daarvan (vers 6) en het overweldigende van het Godsbesef (verzen 17 en 18) worden genoemd, ligt in het gedicht het accent op het gezien worden, het gekend en daardoor gebonden zijn. De overgang van bespiegeling naar verwensing lost Korteweg op door het inlassen van een liefdesverklaring. Er is een 'ik' die voortdurend aan een 'je' denkt en er moet dus wel liefde in het spel zijn. Logisch dat de 'ik' de pest heeft aan mensen die een hekel hebben aan de beminde. Het meer beladen 'haten', laat staan een doodswens, vermijdt Korteweg, meestal geen dichter van het al te uitgesproken woord.
In de bundel 'In handen' is het gedicht opgenomen in de afdeling 'Ego en eega'. Die plaatsing en het feit dat nergens in het gedicht sprake is van een God of een Heer, noch van 'U', zou je, ondanks de ondertitel, kunnen laten denken dat heel het gedicht in de mensenwereld is geplaatst en de 'ik' hier een aardse geliefde bezingt. Er zijn echter enkele zinsneden die zich tegen zo'n interpretatie verzetten: 'alles weet uit hoofde van jij', 'dat ik knap in elkaar, heb je wel voor gezorgd'. Het blijft dus een psalm; de 'ik' spreekt een 'je' aan die hem heeft gemaakt, door wie hij volkomen wordt gekend, aan wie hij onvermijdelijk gebonden is. Dat betekent zeker niet alleen iets goeds: 'in de kraag pak je me', 'geen kant kan ik op', 'erg is het'. Maar uiteindelijk is er een overgave aan het onvermijdelijke, bijna nog meer dan in de psalm: het open 'doe maar', dat een echo oproept van 'Uw wil geschiede', vervangt het meer moralistische 'zie, of er bij mij een heilloze weg is'.

Korteweg zet psalm 139 om in een gedicht dat een hem typerende stijl vertoont. De elliptische zinnen die sinds de bundel Geen beter leven (1985) veelvuldig in zijn werk voorkomen, zijn ook in dit gedicht aanwezig ('dat ik toen dat en dat', 'dat ik knap in elkaar'). Het gebruik van het persoonlijk voornaamwoord als een verzelfstandigd begrip ('uit hoofde van jij') is ook vaker terug te vinden, o.a. in 'er is alleen jezelf' uit het gedicht 'Angst'. De gedachtestreepjes (zie bijvoorbeeld 'Non cantat', verderop) ontbreken niet, evenmin als het gebruik van concrete, dagelijks aandoende zaken om vandaaruit universele thema's aan te roeren: 'in Den Haag niet en nergens'. Populair taalgebruik zoals in de dubbele ontkenning 'nooit niet' komt ook vaker voor in Kortewegs gedichten, evenals binnenrijm; zo wordt hier o.a. een metrische zin ondergebracht in een wel ritmisch maar niet metrisch gedicht ('Het moet wel dat ik van je hou, de pest heb aan wie dat aan jou'). Ten slotte vind je in dit gedicht ook het verwerkte citaat dat vaker in Kortewegs werk voorkomt. Hier is dat het gedeelte dat de omslag inzet van verzet naar aanvaarding: 'Gebonden zijn, gekend, in iemand - erg is het, maar niet is nog erger misschien.' Een overpeinzing die niet expliciet in de psalm voorkomt, maar wel terug te vinden is in het motto dat Korteweg meegeeft aan de bundel Geen beter leven: 'Das Gefühl haben, gebunden zu sein, und gleichzeitig das andere, dass, wenn man losgebunden würde, es noch ärger wäre (Franz Kafka).

Is de psalm stijlsgewijs een echte Korteweg geworden, dat geldt iets minder voor de toon. Zeker zijn er wel Korteweggiaanse elementen te vinden: het licht ironische, afstand nemende bijvoorbeeld in 'vooruit', 'nou ja', 'dat je daar ook nog uit bent!' en 'licht is er niets bij'. Maar aan het slot, als de overgave totaal is, brengt de gebondenheid aan de tekst Korteweg op een pad dat hij in andere gedichten waarin hij zich met een veronderstelde almacht verstaat, niet bewandelt:

Non cantat

Nog mompelt het soms in me om dat ik
toch op je hopen blijf, dat je
me van mijn pijn verlost. Wat
akelig is want hoe lang al.

Toen, op de harde banken nog, joeg
hoofd wat hart naar buiten wou
terug en sloeg het neer al - het
bleef daar maar gisten. Dat
elke schrede me zwaar viel, je
me maar meenemen moest naar
waar je ook ging, je zachte glans me
doordringen - mij heb je dat nooit
horen zingen. Dat niet en niks.

Doe dan eindelijk eens hardop je
roepen, met mijn stem: naar
je intocht, je eeuwige stranden, such
stuff, vader. Gekomen hoeft er niet maar
er moet niet dat mompelen in mij.

(Uit: Voor de goede orde, 1988)



'Wij samen' is van later datum dan 'Non cantat' en zou dus gezien kunnen worden als het antwoord op het verzoek aan de 'vader' in de laatste strofe - want waarom zou Korteweg juist deze psalm gekozen hebben? Toch, als je het werk tot nu toe overziet, kan je vaststellen dat het onopgeloste innerlijke conflict beter bij de dichter Korteweg past dan een verzoening of oplossing. Of het moet een radicale afwijzing zijn: 'Spaar mij de ontferming van / die reddende armen van jou'. Maar het gedicht dat daarmee eindigt, 'Zoek' uit de bundel Tussen twee stilten, is alweer wat ouder.
Dat de dichter niet klaar is met het thema, zou afgeleid kunnen worden uit het feit dat het hiervoor al even genoemde gedicht 'Angst', voor het eerst opgenomen in de bundel Tussen twee stilten (1982), terugkomt in de selectie Comfortabel ongelukkig (1999) en, eenentwintig jaar na de eerste publicatie, opnieuw in de jongste selectie Met flinke pas.

Angst

Geen duizend angsten, maar één vrees:
er is alleen jezelf als straks het leven
boven je hoofd zich gesloten heeft.

Geen andere handen dan de eigen twee.
Geen ander haar om zich aan op te trekken
dan eigen haar - dat plotseling ontbreekt.




Edith de Gilde